Op dit moment (eind mei) zijn de examens voor het voortgezet onderwijs in volle gang. Vele duizenden kandidaten doen examen voor het vmbo, havo en vwo. Deze tijd wordt door velen als spannend ervaren. Natuurlijk allereerst door de kandidaten. Zullen zij het felbegeerde diploma behalen? En dan natuurlijk ook door de ouders, die met hun ‘examenkinderen’ in deze tijd intensief meeleven.
De grootste verandering sinds de invoering van de Mammoetwet’ zo noemen mensen in het vmbo de vernieuwing van de beroepsgerichte programma’s voor deze vorm van onderwijs. Of dat zo is laat ik graag over aan het oordeel van deskundigen. Revolutionair is wel, als ik dat woord mag gebruiken, de introductie van de mogelijkheid voor leerlingen om een deel van hun programma zelf samen te stellen.
Op de TU Delft zijn veel vakken waarbij in een toets complexe berekeningen uitgevoerd moeten worden. Het meest gehoorde argument om deze vakken niet digitaal te tentamineren is de beperking dat studenten alleen een eindantwoord invullen en geen uitwerking kunnen tonen om daarmee een deelscore te behalen. Door gebruik te maken van scenario vragen, wordt dit probleem geadresseerd.
Het is voor een annotator spannend om een uitspraak van een gerechtelijk college te kunnen bespreken die een grote ’omwenteling‘ tot gevolg heeft. In mijn vorige annotatie besprak ik een dergelijke uitspraak. Alle instellingen voor het hoger onderwijs die een zogenaamde ’tweetraps versie‘ van het Bindend Afwijzend Studieadvies (BAS) hanteerden, moeten daar nu van af zien.
Beoordelen van cognitief complexe toetsen zoals essays, casustoetsen, stageverslagen, onderzoekrapportages en beroepsproducten is lastig. Studenten moeten in dergelijke toetsen namelijk eigen keuzes maken ten aanzien van toetscriteria en leeruitkomsten.
Het meten=weten-adagium is dominant geworden in de verantwoording van ons handelen. Zo ook in het (hoger) onderwijs. Mede onder invloed van de politiek-economische behoefte aan kwantificering van prestaties lijken toetsing en onderwijs zich te hebben ontwikkeld tot eigenstandige entiteiten.
Ik ben nooit erg sportief geweest. Als kind zat ik al liever een boek te lezen dan dat ik buiten over het gras rende. Mijn ouders vonden het toch belangrijk dat ik af en toe sportte en daarom ging ik diplomazwemmen. Dat betekent dat ik na mijn A- en B-diploma door ging voor een basiszwemdiploma,
Voor sommige docenten wordt het de eerste keer, velen deden het al vaker, maar het blijft spannend om centrale eindexamens te moeten nakijken. Het is niet alleen een indirecte test of de leerlingen goed genoeg zijn voorbereid, maar ook en vooral moet de docent zorgen dat er resultaten uitkomen die zowel het vak alsook de kandidaten recht doen.
Op een dinsdagmiddag begin januari 2017 hebben we in het kader van de reeks ‘In gesprek met examenfunctionarissen’ een ontmoeting met Marco van Heck. We zijn te vroeg en mogen in een zitje naast de portiersloge op hem wachten.
Een meerkeuzevraag bestaat altijd uit een stam en een aantal alternatieven. Het aantal alternatieven kan variëren. In Nederland zijn vier alternatieven gebruikelijk, dus één correct antwoord en drie niet-correcte antwoorden. Maar is dat in alle gevallen wel de beste optie?
Veel docenten in het hoger onderwijs vinden het lastig om goede toetsopdrachten te ontwikkelen en te beoordelen. Volgens de auteur is een veel voorkomend probleem dat er geen duidelijke relatie is tussen de leerdoelen van een module en de manier waarop opdrachten worden beoordeeld.
Met onderstaand formulier kunt u zich aanmelden voor de nieuwsbrief van Examens.